De vrijmetselarij: geschiedenis en organisatie
Wat is de oorsprong en de geschiedenis van de vrijmetselarij?

Door de eeuwen heen…

GLRB

Indien de vrijmetselarij met recht en reden het symbolische karakter wil bewaren van de ritualen (die in ruime mate een beroep doen op mythen en legenden), dan hebben bepaalde door de vrijmetselarij zelf aangeduide filiaties (die soms erg ver in de tijd teruggaan en niet bewezen kunnen worden), toch een onbetwistbare spirituele waarde.

Zij drukken immers de wil uit om zich met een traditie te verbinden die in het hart van het menselijk patrimonium en van onze westerse beschaving verankerd is.

De moderne vrijmetselarij vloeit onbetwistbaar voort uit de middeleeuwse gilden van metselaars en steenhouwers, de bouwers van godsdienstige en burgerlijke gebouwen in de westerse wereld. Men weet o.m. dat de middeleeuwse kathedraalbouwers in loges gegroepeerd waren. Hun patroonheilige was Johannes.

Komende van de Britse eilanden…

De oorsprong en ontwikkeling van de maçonnieke Orde – zoals we die nu kennen – vinden we terug in Groot-Brittannië. De moderne of “speculatieve” vrijmetselarij (in tegenstelling tot de “operatieve” vrijmetselarij van de bouwers) ontstond in Londen op het einde van de 17de eeuw. Zij vestigde zich als zodanig in de eerste decennia van de 18de eeuw.

De uitdrukking “freemason”, in vertaling een vrije metselaar, vindt men in documenten terug vanaf het jaar 1376, maar over de juiste betekenis ervan tast men in het duister. Deze middeleeuwse “operatieve” metselaars waren rondtrekkende arbeiders die zich van de ene bouwplaats naar de andere verplaatsten en bijeenkwamen in loges die tegelijk werken verblijfplaats waren. De eerste melding hiervan gaat terug tot 1277. De bouwvakkers werkten er onder de leiding van een bouwmeester of “logemeester”. Het duurde erg lang eer ze opgeleid waren tot volleerde vaklui. Na het doorgeven van vaken andere geheimen, waren ze meester in het vak en vrij om zelf de wereld in te trekken.

De Engelse loges bezaten een handschrift met de regels van het vak, de “Old Charges” of de “Oude Plichten”. Daarvan werd bij plechtige gelegenheden en feesten lezing gegeven. Ze eindigden met een opsomming van morele en professionele voorschriften en waren dus eigenlijk een soort deontologische beroepscode. De legendarische geschiedenis beschrijft de oorsprong en de ontwikkeling van de bouwkunst vanaf de tijd vóór de zondvloed, waarbij ook bijzondere aandacht wordt geschonken aan de Tempel van Salomo.

Met het verdwijnen van de traditionele bouwplaatsen nabij kathedralen, abdijen en kastelen en de toenemende stedelijke ontwikkeling, ver- minderde de rol van de oude operatieve loges. Tegelijkertijd traden buitenstaanders die niets met de bouwvakarbeid te maken hadden – vaak gecultiveerde, aristocratische en welgestelde burgers – toe tot de loges. Waarschijnlijk waren zij aangetrokken door het universele gedachtegoed, de spirituele verrijking en de gemeenschappelijke idealen. Deze gang van zaken verklaart in ieder geval het voortbestaan en de groei van de moderne vrijmetselarij.

De loges werden gaandeweg een broederschap die dankzij de symboliek en bepaalde legenden, een zekere spiritualiteit en een aantal ethische waarden uitstraalde. De werktuigen van de metselaar en de steen die hij bewerkte, werden aldus de symbolische basis van een morele en metafysische bespiegeling.

Deze nieuwe “aangenomen” metselaars entten op een eeuwenoude instelling een geheel van morele, religieuze en filosofische elementen. Deze samenloop van omstandigheden leidde tot de moderne vrijmetselarij die officieel tot stand kwam toen vier Londense loges zich in 1717 verenigden in de Grootloge van Londen en Westminster. Haar constitutie werd in 1723 gepubliceerd en was het werk van dr. James Anderson, een presbyteriaanse dominee. Hij bracht hierin vooral de operatieve “old charges” samen, waarin de religieuze verdraagzaamheid en eerbied voor alle confessionele strekkingen werd bevestigd.

… en elders in de wereld

De vrijmetselarij kende vanaf dan een opvallend snelle ontwikkeling en verspreidde zich over heel Groot-Brittannië, continentaal Europa (met name in onze streken) en Amerika. In de loop van de 18de eeuw kwamen de gebruiken en ritualen tot stand, die tot op de dag van vandaag worden gebruikt en overal in de wereld steeds meer volgelingen aantrekken (o.a. in Oost-Europese landen die de democratische waarden onderschrijven).

Onder invloed van Engeland werden de regels van de vrijmetselarij geconsolideerd en steeds duidelijker. De gebruiken die in de Angelsaksische landen van kracht waren, vonden overal ingang zonder dat er geraakt werd aan de fundamentele beginselen van 1723: geloof in een Opperwezen, onderlinge broederschap met eerbied voor de overtuiging en het geloof van eenieder, humanisme, initiatie, solidariteit en liefdadigheid, openheid van geest, trouw en rechtschapenheid, eerbied voor het burgerlijk wettelijk gezag, toegang tot de Orde alleen voor mannen en geen inmenging in politieke en godsdienstige aangelegenheden.

In bepaalde landen werd dit laatste beginsel in twijfel getrokken en werd er later zelfs afstand van gedaan. Zo ontstonden irreguliere vormenvan vrijmetselarij die fundamenteel afweken van de oorspronkelijke instelling en zich met het leven in de buitenwereld zouden inlaten.

In het begin van de 18de eeuw waren de vrijmetselaars er zich terdege van bewust dat er in hun rangen politieke en godsdienstige verdeeldheid heerste of dat er in ieder geval sprake was van divergerende standpunten, ook al koesterden de leden eenzelfde spirituele verzuchting en onderlinge broederlijkheid.

Wat religieuze ideeën betreft: de Engelse loges van 1723 kenden een vrij grote verscheidenheid. Er waren anglicanen, katholieken, dissenters en zelfs buiten-kerkelijke deïsten. Op basis van hun principes stonden de loges open voor andere geloofsbelijdenissen: joden, moslims, hindoes enz.

Wat politieke ideeën betreft: in deze periode kregen conservatieve en liberale ideeën ingang in de samenleving, terwijl de traditionele invloed van katholieken en protestanten voor politieke problemen zorgde.

Van in het begin werd het als cruciaal beschouwd dat vrijmetselaars zich in vrede zouden kunnen verenigen in naam van wat ze gemeen hadden en dat alles wat hen op het maatschappelijk vlak zou kunnen verdelen, beslist buiten de loges zou worden gehouden.

Deze resoluut open en verdraagzame houding kreeg jammer genoeg de toorn van de katholieke kerk over zich heen die zich herhaaldelijk tegen de vrijmetselarij heeft afgezet.
Het feit dat er – al eeuwenlang – in de loges niet gepraat wordt over politieke of religieuze kwesties, heeft ervoor gezorgd dat de traditionele vrijmetselarij zich op een harmonische en vreedzame manier heeft kunnen ontwikkelen in de wereld.